De Thermometer (door Ineke Kok)

In juli 2001 introduceerde GGZ Nederland bij al zijn lidinstellingen een cliëntwaarderingsinstrument voor de volwassenenzorg, de zogeheten GGZ Thermometer voor waardering door cliënten (versie 2001). Het instrument werd in 2000 ontwikkeld door het Trimbos-instituut in samenwerking met de brancheorganisatie GGZ Nederland en met medewerking van de Cliëntenbond, de Landelijke Vereniging van Patiëntenraden, het Verwey-Jonker Instituut en het AIAR. In 2000 is het instrument getest in een pilotonderzoek bij vijf instellingen. Vervolgens is het aangepast en geschikt verklaard voor landelijke toepassing in een experimenteel benchmarktraject van GGZ Nederland.

draaiboek
vragenlijst volwassenen
vragenlijst jongeren

 

Waarom deze Thermometer?

De Thermometer is een beknopt instrument waarmee instellingen in de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg op gezette tijden kunnen onderzoeken hoe cliënten de geboden zorg waarderen.
Nieuw(s) is niet de aandacht voor het onderwerp cliëntwaardering noch het feit dat er een cliëntwaarderingsinstrument is gemaakt. Uit onderzoek blijkt dat al meer dan de helft van de GGZ-instellingen op een of andere manier waardering van cliënten meet. Maar net als in de rest van de gezondheidszorg is in de GGZ op het gebied van cliëntwaardering, een 'wildgroei' ontstaan in het gebruik van vragenlijsten en methoden. Recente inventarisaties laten zien dat instellingen doorgaans een eigen, zelf ontworpen, vragenlijst gebruiken met een relatief groot aantal vragen. Daarnaast is er nauwelijks aandacht voor de validiteit en betrouwbaarheid van de vragenlijsten. Ook de manier waarop de waarderingsonderzoeken worden uitgevoerd (de steekproef, de wijze van afname) verschilt per instelling. De nadelen hiervan laten zich raden; de, verzamelde gegevens met eigen vragenlijsten lenen zich niet voor onderlinge vergelijking. Ook blijkt dat het uitvoeren van waarderingsonderzoek veel logistieke- en coördinatie inspanning van de instellingen vergt. Als de respons tegenvalt - wat niet zelden het geval is - dan rest een kater en houdt men het vaak voor gezien. Het blijft bij een eenmalig uitgevoerd onderzoek en aan het inpassen van cliëntwaardering als structureel onderdeel van het (interne) kwaliteitsbeleid komt men niet toe.
De thermometer tracht in bovenstaande praktijk verandering te brengen. Het nu ontwikkelde instrument stelt instellingen in de GGZ niet alleen in staat antwoord te krijgen op de vraag: hoe waarderen onze cliënten de geboden zorg, maar ook op de vraag: hoe 'goed' doen wij het wat dit aspect betreft in vergelijking met onze collega instellingen? In die zin dient de Thermometer een tweeledig doel: enerzijds is het een instrument dat instellingen aanwijzingen kan geven op welke punten zij intern de zorg nog (verder) kunnen verbeteren, anderzijds is de Thermometer bedoeld om landelijk de gegevens van instellingen met elkaar te vergelijken, zodat er uiteindelijk een relatieve normering kan plaatsvinden in de vorm van een benchmark.
Een kanttekening hierbij is op zijn plaats. De Thermometer levert geen allesomvattende meting van waardering, maar is, zoals de naam aangeeft, een instrument dat een indicatie geeft of iets wel of niet goed is, zonder de precieze oorzaak of oplossing aan te geven. Instellingen zullen daarom altijd de uitkomsten die met de Thermometer zijn verkregen nader moeten bespreken, analyseren en eventueel moeten overgaan tot uitgebreidere vormen van toetsing. Pas dan kan de informatie ingezet worden ter verbetering van de zorg.

Hoe is de Thermometer tot stand gekomen?

Om te bepalen welke vragen in een beknopt waarderingsinstrument thuishoren, heeft een projectgroep met daarin de bovengenoemde partners een aantal thema's geformuleerd waarop het instrument in ieder geval betrekking moest hebben. Het betrof de volgende thema's: informatieverstrekking aan de cliënt, keuzemogelijkheden voor de cliënt, participatie (in beslissingen) -bijvoorbeeld bij het opstellen van het zorgplan- bejegening en resultaten van zorg. Daarnaast werden gegevens uit eerdere satisfactieonderzoeken aan een nieuwe analyse onderworpen. Uiteindelijk zijn 17 vragen geselecteerd voor de pilotversie van de Thermometer. Deze werden aangevuld met een slotvraag waarin een rapportcijfer over het geheel moest worden gegeven en met een aantal open vragen voor het geven van op- en aanmerkingen over de lijst als zodanig en voor tips voor verbetering van de zorg. Deze pilotversie werd vervolgens getest bij een grote groep volwassen cliënten in vijf verschillende GGZ-instellingen, waaronder één verslavingszorginstelling. De zorgsoorten van deze cliënten varieerden van ambulant tot (klinisch) verblijf.

Resultaten van de pilot

Het uittesten van de Thermometer heeft in twee opzichten een positief resultaat opgeleverd. In de eerste plaats bleek dat de cliënten van de vijf instellingen over het algemeen de zorg positief beoordeelden met een gemiddeld rapportcijfer van 7. In de tweede plaats bleek uit de statistische analyses op de data van circa 1000 ingevulde vragenlijsten dat de Thermometer vooralsnog als een voldoende betrouwbaar en valide instrument kan worden aangemerkt. De meeste cliënten hadden geen moeite met het invullen van de vragenlijst. Naar aanleiding van de pilot zijn vooral tekstuele verduidelijkingen aangebracht in de Thermometer.
De uiteindelijke Thermometer bevat 16 vragen verdeeld over vier thema's. De laatste vraag vraagt naar het rapportcijfer op een 10-puntsschaal en de Thermometer sluit af met twee open vragen. De thema's zijn de volgende:
• waardering over de verstrekte informatie (drie vragen)
• waardering over de mogelijkheid van inspraak (drie vragen)
• waardering van de hulpverlener (vier vragen)
• waardering over het resultaat van de zorg (zes vragen)

De scoringsmethode van de Thermometer is eenvoudig. Er wordt gewerkt met de antwoordmogelijkheden: ja-nee-weet niet-niet van toepassing. Een hoog percentage 'ja' betekent een 'goed' voor een bepaald aspect van de zorg en een hoog percentage 'nee' betekent dat dit aspect nog verbeterd kan worden.

Het gebruik van de Thermometer

De Thermometer dient gebruikt te worden voor zowel het (onderling) vergelijken van afdelingen of zorgsoorten binnen een instelling als voor het onderling vergelijken van GGZ instellingen in hun geheel. Van de in totaal 3460 cliënten die in de pilot een vragenlijst kregen toegestuurd, respondeerden er 1061 cliënten. Een responspercentage van 30,7%, bijna 10% lager dan doorgaans het geval is bij tevredenheidsonderzoek. Dit aantal was op zich ruim voldoende om de Thermometer instrumenteel te testen en het aantal respondenten per instelling was ook voldoende om de instellingen met elkaar te vergelijken. Het aantal respondenten was soms onvoldoende om intern afdelingen of zorgsoorten bij de instellingen zinvol met elkaar te kunnen vergelijken. Kortom: wil de Thermometer daadwerkelijk een functie hebben voor het interne kwaliteitsbeleid van de instelling, dan is het van belang dat er voldoende materiaal wordt verzameld per zorgsoort en afdeling om vergelijkingen te kunnen maken. Cliënten een vragenlijst toesturen, zoals in deze pilot is gedaan, lijkt wat dat betreft onvoldoende garantie te bieden. Naar aanleiding van de pilot is dan ook de aanbeveling gedaan aan instellingen om in principe aan het dossier van elke cliënt een blanco Thermometer toe te voegen. Na afsluiting van de zorg of bij veranderingen of overgangen in de zorg - bijvoorbeeld na herindicatie - wordt de Thermometer dan door de cliënt ingevuld. Dat betekent dus dat hulpverleners in principe Thermometers 'uitdelen' na afloop van een exitgesprek of een zorgplanbespreking. Op deze manier beschikt de instelling in de eerste plaats altijd over voldoende materiaal wanneer men besluit de cliëntwaarderingsmeting daadwerkelijk uit te (laten) voeren. In de tweede plaats wordt hierdoor het meten van cliëntwaardering, veel meer dan nu de praktijk is, een regulier onderdeel van de werkprocessen in de instellingen. Oftewel kwaliteitstoetsing door cliënten niet als iets extra's, iets moeilijks, of iets naast het gewone werk, maar als iets dat er gewoon bij hoort.
Of deze procedures haalbaar en werkbaar zijn, zal de praktijk moeten uitwijzen en zal mede afhangen van de bereidheid van instellingen om er in te investeren. In ieder geval is een eerste belangrijke stap gezet in het uniformeren van het instrumentarium. Instellingen hoeven niet langer zelf eigen lijsten te maken, maar kunnen allemaal gebruik maken van een en dezelfde Thermometer.

Tot slot

De landelijke coördinatie van het meten van cliëntwaardering berust bij GGZ Nederland. GGZ Nederland heeft het onderzoeksinstituut ´ISEO marketing research´ de opdracht verstrekt om de praktische gang van zaken rond het afnemen, verwerken, opslaan en analyseren van de lijsten op zich te nemen, wanneer instellingen dat niet zelf willen of kunnen doen. Het Trimbos-instituut is verantwoordelijk voor de verdere ontwikkeling en eventuele aanpassing van de Thermometer cliëntwaardering. Door middel van onderzoek zal het gebruik van de Thermometer zowel inhoudelijk als procedureel geëvalueerd worden.
Daarnaast zal het Trimbos-instituut een vergelijkbaar instrument voor de jeugd en ouderenzorg ontwikkelen.

Literatuur

Hull H, Van Ooyen M, Kok I, Wijngaarden van B, Kurt A. Cliëntwaardering in de GGZ: verslag van een pilot. Utrecht, Trimbos-instituut 2001 (in druk)
Trimbos-instituut, GGZ Nederland. Cliëntwaardering in de GGZ. Handleiding bij 'de Thermometer voor de volwassenenzorg (versie 2001). Utrecht, GGZ Nederland Publicatienummer: 2001-141.

Mevrouw drs. Ineke Kok is wetenschappelijk medewerker en projectleider kwaliteit, bij het Trimbos-instituut te Utrecht.

 

 

 

 

rene kragten www.qualiteit.nl